]> Doodeenvoudig - EXTRA | ERVARINGEN | BEGRAFENISMONOLOGEN |
Winkelmand
€ 0,00
Vertrouwd en veilig betalen met iDeal

Begrafenismonologen

Door Judith Eykelenboom

Elk mens is anders, dus ook elk afscheid is anders. En iedereen ervaart dat weer anders. De één kan niet stoppen met huilen, de ander kan er zelfs geen traantje uitpersen. Of gaat liever helemaal niet. Sommige mensen beleven de dag als een feest, voor anderen is er niets triester dan het definitieve afscheid. Hoe dan ook: het leven moet daarna wel weer doorgaan. Iedere week een openhartig interview met doodeenvoudig.

 

Een eenzaam gevoel kreeg ik ervan
alt

Chantal (26) : Ik heb al mijn opa’s en oma’s al op jonge leeftijd verloren, dat heb ik eigenlijk nooit zo bewust meegemaakt. Dus toen de oma van mijn vriend Thijs vorig jaar overleed, heb ik voor het eerst de dood van dichtbij meegemaakt. Ze zou eigenlijk nog langer hebben, dus het was een grote schok. Zomaar weg gegrepen uit het leven. Heel plotseling.

Wat me van de begrafenis het meest bij is gebleven, zijn de tranen van Hester, de moeder van Thijs. Ik zag iets van onwerkelijkheid in haar ogen. Alsof ze niet kon beseffen dat ze nu geen ouders meer had, want opa was al dood. Maar aan de andere kant zag ik ook acceptatie. ‘Het is goed zo.’ Hester droeg een gedicht voor. Dat ze nu nooit meer een kind zou zijn. Dat zij nu een generatie was opgeschoven. Daar had ik nooit bij stil gestaan. Op zo’n moment denk je: ‘er is toch wel een einde’. Ik probeerde me voor te stellen hoe het zou zijn, zo zonder ouders. Geen bescherming meer. Een eenzaam gevoel kreeg ik ervan.

De mannelijke kleinkinderen, waaronder Thijs, droegen de kist. Uit respect, want het was zoals oma het had gewild. Het zag er allemaal heel officieel uit. Alles verliep zoals het volgens mij moet. Iedereen was ook in het zwart. Als laatste afscheid mocht iedereen een bloem op de kist leggen. Een feestelijke gebeurtenis was het absoluut niet. Zo staan wij niet tegenover de dood.

 

 

‘Bloemen geef je met een warme hand, niet met een koude’
alt

Annalies (64) : Mijn moeder werd begraven in een witte kist. Die hebben we speciaal voor haar laten maken, omdat Elvis Presley ook een witte kist had. Daar was ze namelijk fan van. We hadden haar een donkergrijs bloesje aangetrokken en een kettinkje omgedaan dat ze van mij had gekregen, met haar sterrenbeeld Schorpioen. We hebben haar een etuitje sigaretten en een pak koffie meegegeven, want de hulp had gezegd: ‘Als je dood gaat, ga je over. Voor de grote reis moet je dingen meenemen in de kist.’ Mijn moeder geloofde daar een beetje in, dus hebben we dat toen maar gedaan.

Het is nu vierentwintig jaar geleden, maar haar dood staat me nog heel helder voor de geest. Het weer was een beetje triest, bewolkt. Ze woonde vijf huizen verderop, dus we zagen elkaar vaak. ’s Ochtends had ze nog tegen me gezegd: ‘Doe die planten maar weg, wijfie, want het wordt toch geen zomer meer.’ Dat heb ik toen gedaan. Een paar uur later kwam er een buurvrouw aangesneld. ‘Kom snel hierheen. Je moeder is niet goed’, riep ze. Ze is diezelfde nacht om acht voor een gestorven op de achtste etage van het ziekenhuis op kamer 148 in 1984. Alles met een acht. Raar hè? Dat van die achten, zal me altijd bijblijven. Het was allemaal heel onverwacht. Ze is maar zeventig geworden.

Mijn zus heeft de begrafenis geregeld. Ze wilde geen bloemen bij het graf. Mijn moeder hield wel van bloemen, maar had altijd gezegd: ‘Bloemen geef je met een warme hand, en niet met een koude hand.’ Een kennis had een heel groot stuk laten maken, maar dat werd ook niet op de kist gelegd. Het was zonnig weer. Een mooie dag. Toch nog een zomerse dag, maar niet voor haar. We zaten in volgauto’s, zoals het hoort. Van de ouderwetse stempel. Vader voorop en ik in de derde. Chique is dat, zie je al die mensen op hun fiets gaan. Ik had mijn dochtertje van twee maar thuis gelaten, bij haar vader. Die kon het toch al nooit vinden met mijn moeder. Later, toen we in bed lagen en ik om mijn moeder moest huilen, zei hij: ‘Lig je weer om dat ouwe kreng te janken?’ Zo was hij, mijn ex-man. Maar ik was helemaal de kluts kwijt. Ik zat met een klein kind en kon nooit meer iets aan mijn moeder vragen. Op zo’n moment had ik het gevoel dat ze over mijn haren streek, maar het kan natuurlijk zijn dat je je dat inbeeld.

In de kapel werd Maria likes the roses gedraaid. Ik heb toen gezegd: ‘Zij heeft naar ware genoten.’

 

 

Ze werden naast elkaar begraven
alt

Frits (51) : Begrafenissen en crematies zijn trieste gebeurtenissen. Ik zie er altijd tegenop als iemand ter aarde wordt besteld, maar ik ga wel. Nog steeds moet ik wennen aan de dood en het afscheid. En de tranen, die komen ook altijd. Vaak niet eens om de persoon die is overleden, maar om het verdriet van de anderen. Zoveel verdrietige mensen om me heen maakt mij ook verdrietig. Of eigenlijk steekt het verdriet van de ander me aan om verdriet te hebben om mijn eigen dingen. Bij iemands dood verdriet hebben om je eigen leven. Iedereen zit hier met zijn eigen verdriet, denk ik dan altijd. Het is alleen erg voor de nabestaanden. Begrafenissen zijn vreselijk. Echt niets aan. Een begrafenis heeft mij ook nog nooit geholpen in het rouwproces. Het definitieve afscheid is dan daarvoor al geweest. Maar daarna is het altijd heel gezellig. Zeker als het familie is. Een soort reünie. Nee, daar voel ik me niet schuldig over.

Begrafenissen zijn altijd een stuk emotioneler als mensen nog niet klaar zijn met hun leven. Oneerlijk. Ik herinner me een vriendin van me die was overleden na een auto-ongeluk in donker Afrika. Samen met de broer van haar man. Moet je je die jongen voorstellen die overbleef. In een klap zijn vrouw en zijn broer kwijt. Hij had als enige het ongeluk overleefd. Ze waren achter in de twintig, misschien begin dertig. Heel jong. Hij was net huisarts geworden, stond midden in het leven. Er kwamen misschien wel vijfhonderd mensen op die begrafenis af. Zo massaal. Om die allemaal op te kunnen vangen, was er een grote tent neergezet op de begraafplaats. Ergens op braakliggend terrein. Ze werden naast elkaar begraven. Dezelfde grafstenen, grote keien. Dat heeft diepe indruk op me gemaakt. Ze waren zo jong en dan stopt het leven ineens.

Toch, hoe erg het ook is als er iemand wegvalt, vind ik dat ik sterk genoeg moet zijn om door te gaan en iets van mijn leven te maken. De dood van iemand anders mag nooit nog een leven stoppen. Op een gegeven moment moet je er overheen stappen.

 

 

‘Je hebt me bij mijn naam geroepen, je bent van mij!’
alt

Ellen (48) : Mijn vader ging dood. Dat wisten we allemaal van tevoren. Hijzelf ook, want hij had zijn eigen begrafenis tot in de puntjes in scène gezet. Hij had helemaal bedacht wie er iets mocht zeggen en wie ook vooral niet. Tante Marian, die op elke begrafenis in de familie wel een praatje houdt, mocht niets zeggen. Dat komt doordat zij graag verhalen vertelt over heel vroeger. Ze had bij mijn vader in de slagerij gewerkt en zou dan zoiets gezegd hebben als: Hoge hopen doet verkopen. Over grote stapels worsten ging het dan. Daar wilde mijn vader niets meer van weten. Voor zijn gevoel had hij een heel ander leven opgebouwd. En hij vond Marian ook ordinair.

Hij wilde een begrafenis in stijl, en die heeft hij ook gekregen. We moesten allemaal een pak aan van hem. Een week voor zijn dood heeft hij mijn zussen nog met zijn creditcard naar de stad gestuurd om iets te kopen. In het zwart. Mij niet, want ik kleed me altijd wel netjes, dus dat vertrouwde hij wel. Zelfs de tekst op de rouwkaart had hij zelf uitgezocht, uit Jesaja: ‘Je hebt me bij mijn naam geroepen, je bent van mij!’ Hij hield wel een beetje van dat theatrale: het is mooi als iets volgens traditie verloopt. Maar het is ook een bevestiging van. Doordat iedereen deel uitmaakt van je begrafenis, ben je ook echt dood. Te midden van de mensen krijgt dat iets meer waarde in mijn ogen.

Het was tenslotte toch het afscheidsfeestje van mijn vader. Een begrafenis is namelijk een feest en hoeft echt niet in zo’n trieste stemming. Als je trouwt, een kind krijgt of sterft; dat zijn de hoogtepunten in het leven. En daar horen bloemen bij, voor de omstanders in dit geval. Ik heb ook niet heel erg gehuild ofzo. Het was meer een dag die we met elkaar deelden in het kader van mijn vader. Een mooi moment was toen de kist werd gesloten. Dat was heel bijzonder, om een laatste blik te werpen op het lichaam waarin hij heeft geleefd. De mannen hebben nog even een stukje geoefend om met de kist te lopen, die daarna de lijkwagen in ging. Ik zie mijn broertje nog staan kijken, toen de lijkwagen aan kwam rijden. Zo van: daar gaat hij straks in.

De begrafenisondernemer liep voor de auto uit, door de wijk. Ik zat in een van de volgauto’s en zag al die buurvrouwen klaar staan met hun fietsjes om de stoet te volgen. Het leek net een soort optocht. Ik kreeg er een definitief gevoel van. De kerk was afgeladen. Er werd heel leuk over mijn vader gesproken. Ik kon dat alleen niet opbrengen. Ik heb hem zo intensief verzorgd vlak voor zijn dood, dat ik alleen dat beeld van die zieke man die moest plassen terwijl hij een katheter had, voor me zag. Dat beeld heeft me maandenlang achtervolgd. Ik heb dus maar een gedicht over de dood voorgedragen. Ik ben die avond nog speciaal naar huis gegaan om het te schrijven. Ik dacht: ik kan wel een gedicht uit een boekje voorlezen, maar dat is niet van mezelf. Mijn gedicht ging over het feit dat de dood bij het leven hoort. Ik was heel nuchter bij het voorlezen.

Maar wat me het meest is bijgebleven, wat ik nooit zal vergeten, is hoe close we waren tijdens de voorbereidingen. Ik bedoel dan het gezin, de naaste familie. Het schrijven van de kaarten, de gesprekken met de dominee, het met elkaar zijn. Dat was heel mooi.

 

 

En dan ook helemaal niet doorhebben wat hij was. Zo groots
alt

Cees (49) : Toen ome Leen, de tweede man van tante Trix, op mijn opening kwam, was hij zijn autopapieren kwijt. Twee maanden later zijn sleutels. Dat waren tekens uit de lucht, want vlak daarna had een booming ongeluk. Hij was zijn auto aan het duwen omdat de motor was afgeslagen. Er kwam een vrachtwagen aangereden en pats, ome Leen dood. Ik zag dat op het landelijke nieuws. Ik dacht: ‘De goeden gaan het eerst. Hadden ze tante Trix niet dood kunnen rijden?’ Die had nagenoeg niks, ze heeft geloof ik een dag in het ziekenhuis gelegen.

Het was de meest indrukwekkende begrafenis die ik ooit heb meegemaakt. Toen pas kwam de aap uit de mouw wie ome Leen eigenlijk was. Het bleek dat hij een gigantisch druk bestaan had. Bij de speeches viel ik van de ene verbazing in de andere. Al die besturen waar hij in zat! Daar wisten wij van de familie helemaal niets van af. Dan kreeg hij weer een eervolle vermelding voor het werk dat hij verricht had voor een of andere zustervereniging, of wat hij allemaal gedaan had voor die stichting. Alles bij elkaar duurde het uren. Ik was echt vreselijk verrast. Er waren zeker 1300 man op die begrafenis op komen draven. Hij was blijkbaar uitermate populair. Wij stonden buiten van: wie is dat, joh. Ome Leen. Hij schreef wel altijd keurig in een boekje wie van de kinderen in de familie hij zakgeld had gegeven, zodat hij niemand oversloeg. Aan dat soort dingen hadden we af kunnen lezen hoe geordend en punctueel hij was.

Maar dat hij zo belangrijk was, wisten we niet. Want hij was zo bescheiden. Die man moet 24 uur per dag gewerkt hebben. Hij was ook veel vermogender dan we allemaal dachten. Nu, een half jaar na zijn dood, zegt tante Trix wel eens: ‘Ik ben blij dat ik Leen niet meer heb. Zoveel verplichtingen.’ En dan ook helemaal niet doorhebben wat hij was. Zo groots.

 

 

‘Goed gedaan!’
alt

Eva (20) : Toen ik naar de begrafenis van een cliënt van me moest, stond ik die dag al op met een rotgevoel. Ik heb toen keiharde hardstyle opgezet. Ik ging, uit plichtsbesef, maar ook om afscheid te nemen. Ik heb daar twee jaar gewerkt. Als je dan niet komt, schept dat afstand. Kees had het syndroom van down. Hij woonde in een groep van negen mensen, allemaal met het niveau van een kind van zes. Hij was overleden op zijn postoel aan een hartaanval. Hij hield heel erg van mensen pesten en grapjes maken. En van muziek, kerkmuziek. Ik ging elke zaterdag met hem en zijn zus Nel naar de kerk.

Op zich had ik niet zo’n hele goede band met hem, maar het is toch raar om te horen dat iemand ineens dood is. Toch voelde ik me schuldig dat het me niet zoveel deed. Ben ik dan zo harteloos? Aan de andere kant trok ik het ook niet om tot het einde te blijven. Ik ben niet meer meegegaan naar de begraafplaats. ‘Ik moet zo werken, ik ga’, zei ik, want ik kan niet tegen dat hele sfeertje. Ik word minder blij als iedereen minder blij is. Maar hè, ik zal er niet wakker van liggen.

Een collega zei dat Kees nu naar de hemel gaat. Een nieuwe plek, waar hij is opgenomen door God en Jezus. Alles werd heel goed uitgelegd, want er zaten veel mensen met het downsyndroom in de zaal. De dominee deed dat aan de hand van een projector met plaatjes: de herder, de schaapjes en de hemel. Alles versimpeld natuurlijk, anders zouden ze het niet begrijpen. En er werd een heleboel kerkmuziek gedraaid. Ik zou zelf niet zo begraven willen worden, met zo’n dienst. Dat hele verhaal van God en Jezus, daar hoeft van mij niet zoveel nadruk op te liggen. Maar als ik dood ga en mama leeft nog, mag er wel een kerkliedje gezongen worden. Voor mama dan. Toch was deze dienst voor Kees gepast. Hij hield tenslotte van de kerk.

Al die mongolen schreeuwden en huilden keihard door de kerk: ‘Ik mis Kees!’ Op andere begrafenissen wordt ook wel gehuild, maar veel gecontroleerder naar mijn idee. Sommigen waren wel heel expressief. Maar vind je het gek, zij woonden met hem. Kees was een soort familie van ze geworden. Ze deden wel flink mee met de dienst. Iemand had net een praatje met gevoel gehouden. De rest klappen: ‘Goed gedaan!’ Dat is gewoon leuk.

 

Binnenkort meer begrafenismonologen!

Klantenservice Over ons FAQ Maatschappelijke betrokkenheid
  disclaimer   privacy statement   cookie instellingen   inkoopvoorwaarden   algemene voorwaarden   klantenservice  over ons  FAQ  maatschappelijke betrokkenheid